Uitgaven in Reeks 2: 1964-1995

Kaft

F.J.M. van Puijenbroek

Onder de voet gelopen; het ontstaan en verdwijnen van een kleinnijverheid in Nederland na 1800; de Brabantse klompenmakerij (1969)

259 pagina's, dissertatie
Deze uitgave is niet meer te bestellen

Na een inleiding over de geschiedenis van de klomp betoogt de auteur, dat het klompenmaken steeds een typische nevenwerkzaamheid is gebleven naast het boerenbedrijf. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de textielnijverheid komt het klompenmaken ook in de tijd van de industrialisatie lange tijd niet uit de sfeer van de huisnijverheid. Omgerekened naar een individueel gebruik van vier paar klompen per jaar zouden er in 1968 nog 730.000 personen geweest zijn (bijna 6% van de Nederlandse bevolking), die "in het houten comfort" de drassige bodem trotseerden.

De houten klomp bestaat vermodelijk al tien eeuwen. Hij is te onderscheiden van de middeleeuwse tapijnen of trippen: houten zolen bevestigd onder de linnen hozen, en, uiteraard, van het modieuze schoeisel der welgestelden. Pas in de tweede helft van de negentiende eeuw raakt de klomp algemeen als volksschoeisel in gebruik, merkwaardigerwijs onder invloed van de opkomende industrialisatie. Die stelt mensen immers pas in staat wel houten klompen te kopen, maar nog geen leren schoenen. Na 1860 ontstaan bedrijven met het klompenmaken als voornaamste middel van bestaan, maar altijd beoefend naast het lnadbouwbedrijf en dus aan seizoenfluctuaties onderhevig. De bekendste klompenmakersstreek in Noord-Brabant met populier en wilg als grondstof, is het gebied rond Best, Liempde, Sint-Oedenrode en Schijndel. Tot 1880 bloeit hier deze bedrijfstak.

Daarna gaat deze min of meer teloor door o.a. de invoer van klompen uit België en na de eeuwwisseling door het gebruik van leren schoenen.

Stichting ZHC Secretariaat | St. Janstraat 11 | 4901 LR Oosterhout | E-mail | Contactformulier