Uitgaven in Reeks 2: 1964-1995

Kaft

A.H. Crijns en F.W.J. Kriellaars

Het gemengde landbouwbedrijf op de zandgronden in Noord-Brabant 1800-1885 (1987)

352 pagina's
Deze uitgave is niet meer te bestellen

Deze studie, de eerste agrarische geschiedenis van de zuidelijke zandgronden met zijn vele kleine gemengde bedrijven, beslaat de periode van de Bataafs-Franse Tijd tot het midden van de grote landbouwcrisis. De aanzienlijk hogere bevolkingsdichtheid dwingt dit gemengde landbouwbedrijf, zoals in de belendende gebieden van België, tot een veel intensievere bedrijfsvoering. De gemiddelde oppervlakte langbouwgrond per bedrijf neemt af, aangezien de agrarische beroepsbevolking sterker groeit dan de uitbreiding van het areaal landbouwgrond.

Landbouw is vele eeuwen de belangrijkste bestaansbron in onze provincie geweest. Pas nauwelijks veertig jaar geleden begint een ware omwenteling, merkwaardigerwijs juist in deze streken met van nature de onvruchtbaarste grond. Daar kenmerkt de landbouw zich sedertdien door een kleiner aantal bedrijven, ver doorgevoerde specialisatie, weinig arbeid, veel kapitaal en een marktgerichte houding.

De schrale Brabantse zandgronden laten sinds eeuwen geen andere gebruiksvorm toe dan bedrijven met bouwland, grasland en vee. De onvruchtbare grond is alleen te verbeteren door de veestapel, met de potstal als 'krachtcentrale'. De hogere zandgronden, met het gemeenschappelijk gebruik van de heide oor schapen, runderen en ganzen, leveren heiplaggen als een tweede leverancier voor de mestbereiding. Al die bedrijfjes zijn op de eerste plaats gericht op zelfvoorziening. De overige levensbenodigdheden moeten worden gemaakt of gekocht. Omdat de schrale bedrijfsuitkomsten dit laatste niet toelaten, legt men zich toe op tal van nevenwerkzaamheden zoals spinnen, weven, klompenmaken en turfsteken. Overigens legt die bescheiden huisnijverheid de grondslag voor de latere industriële ontwikkeling. Er is nergens als in dit besloten en achterlijke grensgebied met onzekere toestanden en slechte waterstaatkundige sitautie zo geploeterd om aan de kost te komen. Deze generaties boeren in het tijdvak 1800-1885 zijn de laatste geweest, die geheel op eigen kracht zijn aangewezen. Veel is traditioneel bepaald en verandert dus langzaam.

Pas na 1850, als de infrastructuur verbetert door de aanleg van wegen en de komst van de spoorwegen en nijverheid en handel toenemen, richten deze boeren zich geleidelijk meer op de markt. De veehouderij wordt belangrijker en de betrekkelijk gunstige tijd voor deze sector duurt tot 1885.

Deze studie beschrijft in het eerste deel de ontwikkeling tot 1850 summier, in het tweede die tot 1885, de tijd van een ernstige crisis, uitvoeriger. Op dat moment maakt men zich grote zorgen over het voortbestaan van de landbouw. Dit leidt tot de instelling van een commissie voor de landbouw in 1886, die tot taak krijgt deze sector door te lichten en voorstellen tot verbetring te doen. De periode 1800-1885 overziend, komen op de Brabantse zandgronden geen ingrijpende verandereing heeft ondergaan en maar weinig vooruitgang vertoont.

Stichting ZHC Secretariaat | St. Janstraat 11 | 4901 LR Oosterhout | E-mail | Contactformulier